|
|
 |
 |
 |
 |
Symbolen in de kerk
|
|
|
Zo’n anderhalf jaar geleden tikten een paar kerkenraadsleden zomaar een prachtig beeld van Willibrord op de kop – nu ja, ze kregen het in bruikleen mee van de parochie, die er op dat moment nog niets mee kon. Het beeld heeft enige tijd in onze kerk gestaan. De meningen erover waren verdeeld, wat aanleiding was om toch eens nader stil te staan bij afbeeldingen en symboliek in de kerkruimte. Dat heeft wel even geduurd, want er stonden nog meer zaken op de agenda, maar in februari was het dan zo ver. Nico Sjoer, oud-predikant in Nederhorst den Berg schreef er een notitie over. Die laten we hier volgen.
Een van de meest centrale bijbelteksten die een rol gespeeld hebben in het protestantisme is de uitspraak van Paulus: “Het geloof is uit het gehoor, en het gehoor is uit het Woord Gods”. Met andere woorden: tot geloof komen doe je door te horen/luisteren. Waarnaar luister je? Naar het Woord Gods. Dat horen werd volstrekt letterlijk genomen. Mede als gevolg van deze argumentatie werden de beelden uit de kerken verwijderd, werd het vaak kostbare vaatwerk omgesmolten en verdwenen talloze fraaie muur- en gewelfschilderingen onder een dikke laag witkalk. Want met kijken schiet je niks op; er moet gehóórd worden! Nu had het protestantisme voor deze redenering goede, oude papieren. Wat Paulus ooit zei, had hij niet uit de lucht gegrepen. De synagogale eredienst was in zijn dagen volledig op het hóren gericht. Mensen lazen niet mee, ze hóórden. De tekst van de bijbel is zó geschreven dat het aandachtig luisteren ernaar op zichzelf al exegese met zich mee kan brengen. Van veel woorden is het de bedoeling dat ze niet alleen klinken binnen de contekst waarvan ze deel uitmaken, maar dat ook de andere conteksten waarin het woord gebruikt wordt meeklinkt. Daarnaast zetten de Tien Woorden in met het verbod op het maken van afbeeldingen van de Ene. Beelden (afbeeldingen) in je eredienstruimte zijn dus uitermate verdacht en de enorme hoeveelheid beelden, schilderijen en andere afbeeldingen die de gemiddelde rooms-katholieke kerk bezat in de 16e eeuw deed de afkeuring van de protestantsen tot ongekende hoogte stijgen. De kerkgebouwen na de Reformatie waren dan ook lege, witte ruimtes (zij het dat gebrandschilderde ramen vaak gespaard bleven). Hadden ze helemaal geen versieringen? Aanvankelijk niet. Het werk van Saenredam laat echter de eerste opvulling van de lege ruimte al zien: borden met tekst (bijv. het Onze Vader), die je kon lezen (horen)! In de loop van de 17e eeuw volgen dan al spoedig de rouwborden, terwijl in de 18e eeuw de kerken in ons land volgestouwde pakhuizen waren van rouwborden, grafmonumenten, vaandels van leger en vloot, etc. Er heeft zich in de 19e en 20e eeuw een stille beeldenstorm voltrokken, waarbij veel van deze attributen weer verwijderd zijn. Niet allemaal. In Nederhorst zijn de beide epitafen en het wapenschildje rustig blijven hangen. Het gaat daarbij om afbeeldingen en teksten in een eredienstruimte (en protestanten mochten die epitafen graag zelfs in het koor hangen, om verschillende redenen – zo ook bij ons!) die in wezen met de eredienst helemaal niets van doen hebben. Als je er zo eens over nadenkt en de zaken nuchter op een rijtje zet, is het niet goed te begrijpen dat protestanten deze ‘wereldse’ symbolen of een volstrekt seculiere afbeelding van een kasteel in een raam de normaalste zaak van de wereld vinden, terwijl ze vaak mordicus tegen bijbelse of christelijke (af)beeld(ing)en zijn! Het is natuurlijk wel te verklaren – maar logisch is het niet…
Paulus, synagoge, Tien Woorden… Als je het zo ziet, lijkt het erop dat de Rooms-katholieke, de oosters- en Russisch orthodoxe en de Anglicaanse tradities in hun rijkdom aan beelden en symbolen er helemaal naast zitten. Toch is dat niet juist. Het Gereformeerde protestantisme heeft de zaak uit z’n evenwicht getrokken door aanvankelijk voor (bijna) totale beeldloosheid te pleiten.
Wie het boek Exodus leest vanaf hoofdstuk 25, komt onder de indruk van de enorme hoeveelheid (kostbare) afbeeldingen en symbolen die de Israelitische tabernakel en later de tempel in Jeruzalem rijk geweest moet zijn. Het jodendom kent een zeer langdurige en rijke iconografische tradtitie. Wie door Israel echter niet afgebeeld wordt, is God zelf. Want het beeldverbod betreft de Ene: van Hém zullen we geen afbeeldingen ontwerpen, noch feitelijk, noch conceptueel. De vele kilometers catacomben onder Rome tonen aan hoe snel de jonge christelijke kerk een eigen traditie ontwikkelde in afbeeldingen en symbolen. Beelden en symbolen zijn vanaf het begin een wezenlijk onderdeel geweest van het christelijk geloof. Tot de vroegste typisch-christelijke afbeeldingen behoort Jezus als Goede Herder: een nog baardeloze jonge man met een lam op zijn schouders. De christenen maakten daarbij onbekommerd gebruik van iconografisch materiaal uit het heidendom – dat gaf niks! Met de joodse traditie braken ze, toen ze ook afbeeldingen van God gingen maken – al heel vroeg gebeurde dat. Denk maar aan oude iconen. Of – van veel later datum – aan ‘Adam’, het beroemde schilderij van Michelangelo.
Het is volstrekt algemeen om gebruik te maken van beelden en symbolen. Het gebeurt overal. Kijk maar eens hoeveel icoontjes je pc heeft; het ritselt ervan. Het verkeer is ondenkbaar zonder de enorme hoeveelheid symbolen. Elk verkeersbord is er een.
Wat is een symbool nu eigenlijk? Vroeger was een ‘symbolon’ een herkenningsteken. Wanneer twee vrienden voor een tijd uit elkaar gingen braken ze een munt of een ring in tweeën; ze hielden elk een helft. Kwam na jaren iemand van de bevriende familie terug, dan bewees het geslaagde samenvoegen van de twee delen dat de drager van de ene helft inderdaad recht had op gastvrijheid en vriendschap. Een symbool is dus een zichtbaar herkenningsteken, waarmee een anders niet waar te nemen afspraak, bedoeling, verhaal of gedachte opeens zichtbaar gemaakt kan worden. Waaruit het ook bestaat, een symbool is altijd een concrete afbeelding waarmee een geestelijke betekenis duidelijk gemaakt kan worden. Die combinatie zichtbaar/onzichtbaar is typisch voor het symbool.
Veel christelijke symbolen wijzen in hun eenvoud naar een meervoud aan verhalen en geloofsbetekenissen. De duif verwijst naar een aantal centrale bijbelverhalen waarin water een rol speelt. De duif is tegelijkertijd symbool van de heilige Geest. Het zien van zo’n beeld roept ándere beelden op: herinneringen aan verhalen. En het nodigt uit tot het verlenen van nieuwe betekenissen. Kijk bijvoorbeeld eens naar een doek van Chagall. Niet zelden dragen ze symbolen met diep-geladen betekenissen. Je kunt ze weten, of leren kennen, maar ze dagen in hun beeldrijkdom soms ook uit om er zélf betekenis aan toe te kennen, om je zo’n afbeelding op een bijzondere manier ‘eigen’ te maken.
Bij al deze exercities is het zien van groter belang dan het horen. Het een vervangt het ander niet, de beide zintuigen vullen elkaar aan. De bijbel weet daar alles van. Het jodendom is mordicus tegen het afbeelden van God, maar kent voor het overige een uitbundige beeldtraditie. Het christendom heeft in principe geen enkele begrenzing aan wat afgebeeld mag worden.
Onze cultuur is in toenemende mate een beeldcultuur. Afbeeldingen en symbolen zijn voor jongeren heel erg belangrijk. Er is geen enkele reden om onze eredienstruimtes daarvan te vrijwaren, sterker nog: afbeeldingen, beelden en symbolen hebben een grote catechetische meerwaarde. De klassieke protestant stelde steevast dat afbeeldingen in de kerk de aandacht maar afleidden (van de preek); er is alle reden toe om echter te stellen dat de aanwezigheid van afbeeldingen in de kerk de aandacht van mensen toespitst. Vandaar dat ik ervoor pleit om er met mate maar wel met vrijmoedigheid gebruik van te maken.
Gebruik werd gemaakt van A.C. Bronswijk: ‘Symbolen. De taal van kunst en liturgie’. ’s-Gravenhage, 1987.
|
Naar boven
|
|
 |